×
footer logo
© 2017 VICE Media LLC
×

Logo Olivier woonde drie jaar in een wietplantage en loste zo een ton schuld af

 

Olivier woonde drie jaar in een wietplantage en loste zo een ton schuld af

OB
Olivier Brandt; zoals verteld aan Hannah Hamans

20 september, 2018, 15:10

"Als ik eenmaal een besluit neem, denk ik niet meer na over de consequenties."

Olivier sliep drie jaar in de keuken van een ‘wiethuis’ met ruim 200 hennepplanten. Hoewel hij zijn schulden ermee kon afbetalen, was de wietplantage verre van ideaal. Hij vertelt zijn verhaal aan journalist Hannah Hamans.

In 2011 begon ik een horecazaak samen met Sam, de broer van mijn beste vriendin. Dit deden we veel te impulsief. Normaal gesproken neem je een jaar of anderhalf jaar de tijd om een idee uit te werken en een bedrijf te starten. Drie maanden nadat Sam en ik dachten: we moeten samen iets beginnen, maar geen idee wat, ging onze zaak open. We hadden een delicatessenwinkel beneden, een restaurant, een bed & breakfast boven, er zat een yogastudio en een massagesalon in onze ruimte en op iedere dinsdag lezingen en trainingen en zondag livemuziek. Oftewel: zes bedrijven gerund door twee mensen. Vier maanden later stapte Sam eruit, en deed ik uiteindelijk alles alleen.

In mijn eentje heb ik 2,5 jaar doorgewerkt: minstens negentig uur per week en als ik vrij was dan ging ik borrelen met andere horecaondernemers en was ik alsnog aan het werk. Na die 2,5 jaar was de zaak financieel stabiel en begon ik quitte te draaien. Ik kreeg ook overzicht van mijn schulden en zag hoe lang het zou duren voordat ik die kon afbetalen en winst kon maken. Na acht jaar zou ik zelf geld gaan verdienen. Ik besloot te stoppen. Ik redde het niet meer en wilde me niet meer volledig geven. Het leek me beter een leven op te bouwen dan een zaak. Toen had ik ruim een ton schuld.

Ik heb mezelf niet failliet laten verklaren. Dat was achteraf gezien wel een verstandiger besluit geweest, maar ik heb met al mijn schuldeisers individuele afspraken gemaakt en gezegd: ‘Ik ga alles wat jullie me hebben geleend, terugbetalen.’

Vervolgens maakte ik de beslissing om in een appartement te wonen waar een wietplantage was. Enkele basisschoolvrienden van mijn beste vriend Stijn hadden meerdere van die panden en exporteerden wiet naar het buitenland. Ik heb die mensen zelf nooit ontmoet, maar toen mijn beste vriend Stijn hier woonde, werkte ik af en toe al eens in zo’n pand. We noemden het “de groenvoorziening”. Er zijn zoveel van dit soort huizen in Amsterdam. Het schijnt dat iedere straat zo’n ‘wiethuis’ heeft. Toen Stijn ging samenwonen met zijn vriendin kon ik in het appartement gaan wonen.

Ik hoefde de 700 euro aan huur niet te betalen en kon dat geld dan weer besteden aan mijn schulden. Daarnaast kreeg ik betaald om de oogst eens in de acht weken te knippen en die weer klaar te maken voor de nieuwe cyclus. Hiernaast werkte ik bijna iedere dag om mijn schulden af te betalen. Ik was slechts twee zondagen per maand vrij.

Zo’n wiethuis valt het minst op als die is bewoond. Als iemand iedere dag op de trap heen en weer loopt dan denken de buren niet dat er iets geks aan de hand is. Ik stond er overigens niet ingeschreven, dus de plantage kon niet aan mij worden gelinkt. In totaal stonden 230 tot 240 planten in dit driekamerappartement. In allebei de slaapkamers en in de badkamer werd de voeding voor de planten in het water gemengd. Ik sliep in de keuken. Het hele huis was ingepakt, zodat de politie geen luchtfoto’s van hittebronnen kon maken. Er waren goede koolstoffilters geïnstalleerd, waardoor je in de woonkamer niks hoorde of rook.

Over alles was nagedacht. Als er onverwacht buren zouden langskomen of iemand kwam de elektriciteit controleren dan zouden zij niets doorhebben. Eens in de acht weken knipten Stijn en ik de oogst en vervoerden we die in grote sporttassen. De buren dachten vast dat we ontzettend veel aan sport deden. In de auto brachten Stijn en ik de oogst, ter waarde van 15.000 tot 22.000 euro, naar een geheime plek waar de drugsbazen, die ik overigens nooit heb ontmoet, het weer ophaalden.

Hoewel ik mijn schulden ermee kon afbetalen, was de wietplantage alles behalve ideaal. Je kan niemand uitnodigen thuis. Ik had aan Stijn beloofd dat ik het aan niemand zou vertellen. Vrienden konden niet over de vloer komen. Je kan geen relatie beginnen, omdat je niet eerlijk kunt zijn. Zelfs mijn ouders wisten van niets en kwamen ook niet bij mij thuis. Je leeft in een halve leugen. Mijn vrienden vonden het achteraf ook gek en dachten: waarom worden we nooit uitgenodigd, terwijl Olivier zo’n sociale man is? Je mist bepaalde diepgang in je vriendschappen als je nooit bij iemand thuiskomt.

Ik heb er uiteindelijk drie jaar gewoond. Het laatste half jaar werd ik losser over mijn geheim. Ik dacht: hoe belangrijk is het dat niemand het weet? Wie van mijn vrienden heeft kwade bedoelingen en gaat me verlinken? Ik heb het toen aan mijn moeder verteld. Ze deed er luchtig over, maar ik had door dat ze zich zorgen maakte. Mijn vrienden vonden het vooral een grappig verhaal en waren verbaasd. Je bent ook niet een hardcore crimineel. Wiet is zo geaccepteerd en helemaal in Amsterdam. Iedereen weet dat je maar drie gram bij je mag dragen, terwijl coffeeshops vol liggen met wiet. En die worden echt niet aangeleverd met een paar gram.

Mijn vader is een half jaar voor ik met mijn horecazaak stopte, overleden. Met zijn erfenis, de verdiensten aan de wietplantage en al mijn harde werken heb ik mijn schulden kunnen afbetalen. Toen ben ik met de wietplantage gestopt. Dat was voor niemand een probleem, ik was slechts een kleine speler en ze hadden veel van dit soort huizen. Het wiethuis waar ik woonde, bestaat niet meer. Stijn stopte ook en ik kon met een schone lei beginnen.

Stijn, Sam en Olivier Brandt zijn gefingeerde namen.

Beeld via wikimedia commons, getty.

Logo

Logo