×
footer logo
© 2017 VICE Media LLC
×

Logo De radicale theorie dat de overheid onbeperkt geld heeft

Vice channels
 

De radicale theorie dat de overheid onbeperkt geld heeft

TS
Tom Streithorst

6 april, 2018, 13:32

Iedereen weet dat een overheid belasting moet heffen voordat ze geld kunnen uitgeven. Maar volgens moderne geldtheorie hoeft dit helemaal niet.

Dit artikel verscheen eerder op VICE US.

Jesse Myerson, Occupy Wall Street-veteraan met baard en vriendelijke bruine ogen, klopt op de deuren in vervallen buurten in het Zuiden van de Amerikaanse staat Indiana. Als woordvoerder van de actiegroep Hoosier Action herinnert hij mensen eraan dat de Verenigde Staten spectaculair rijk zijn. Zijn boodschap: een deel van die rijkdom kan, en moet, verspreid worden onder de arme mensen van Zuid-Indiana.

“Mensen ervaren enorm veel economisch leed, en dit heeft geleid tot de spirituele dood van hele gemeenschappen,” vertelt Myerson me. Drugsverslaving is wijdverbreid, net als zelfmoord. “Er zijn geen organisaties die deze mensen helpen hun pijn te begrijpen, alleen maar xenofobe ultra-rechtse initiatieven.”

De grootste concurrentie in de strijd om de harten en geesten van arme bewoners van Indiana (de hoosier), vertelt Myerson, is een groep white supremacists onder de naam Traditionele Werkerspartij (TWP). “Ze organiseren zich langs dezelfde lijnen als wij – ‘oligarchen zijn tirannen, ze buiten ons uit; wij hebben vrede en welvaart nodig’ met als enige verschil dat zij opereren vanuit het idee van schaarste,” zegt hij. “Zij zeggen, ‘er is niet genoeg voor iedereen dus wij witte mensen moeten voor elkaar opkomen, ervoor zorgen dat wij in elk geval genoeg hebben’.”

Daartegenover, zegt Myerson, “organiseren wij ons vanuit de het idee van overvloed. Dat er genoeg is voor iedereen, dat we ons voor iedereen vrijheid en waardigheid kunnen veroorloven.”

Je hoort niet vaak “er is genoeg voor iedereen” in de mainstream Amerikaanse politiek. Vooral Republikeinen hebben kritiek op het idee van een sociaal vangnet en andere stimuleringsplannen omdat dit leidt tot een begrotingstekort; sommige politici dringen zelfs aan op een radicale wetgeving waardoor de overheid bijna niets meer mag uitgeven. Maar ook Democraten redeneren vanuit tekorten, zoals toen de Republikeinen een belastingverlaging van 1.2 biljoen voorstelden. Ambitieuze plannen die veel geld kosten, zoals ‘Medicare for all’ van Bernie Sanders, worden regelmatig belachelijk gemaakt. Op vier jaren na krijgt de Amerikaanse overheid sinds 1970 ieder jaar minder geld binnen dan ze uitgeeft. Dit is opgelopen tot een nationale schuld van meer dan 1.67 biljoen. Uit enquêtes blijkt dat de meeste mensen vinden dat Amerika op de verkeerde weg zit, qua schulden, en willen dat de overheid dit probleem aanpakt.

Myerson maakt zich geen zorgen over het tekort: “We zijn het rijkste land in de geschiedenis van landen, in de geschiedenis van rijkdom. Natuurlijk kunnen we het betalen.” Hij merkt op dat niemand zich zorgen lijkt te maken over het prijskaartje wanneer het budget van het Pentagon wordt verhoogd of de regering besluit een land aan de andere kant van de oceaan binnen te vallen.

Het is moderne geldtheorie, of Modern Monetary Theory (MMT), die Myerson zo optimistisch stemt. Deze economische theorie stelt dat de angst voor overheidstekorten is ingebeeld, een achterhaald overblijfsel uit de tijd van de gouden standaard. MMT krijgt steeds meer invloed in linkse kringen. Dankzij MMT geloven progressieven als Myerson dat een flink prijskaartje geen argument is tegen grote sociale hervormingen – zoals Bernies ‘Medicare for all’.

Moderne geldtheorie lijkt waanzinnig simpel. In het monetaire systeem van fiatgeld (geld zonder intrinsieke waarde, maar op basis van vertrouwen) kan een overheid zo veel geld drukken als ze wil. Zolang een land genoeg hulpbronnen heeft (werkkracht, machinerie en grondstoffen) kan het overheidsdiensten leveren. Volgens MMT komt onze angst voor begrotingstekorten voort uit een fundamenteel onbegrip van wat geld is.

Iedere vijfjarige begrijpt geld. Het is wat je de aardige mevrouw geeft voordat zij jou het ijsje overhandigt – het is een voorwerp dat ingeruild kan worden voor goederen of diensten. Maar vanuit moderne geldtheorie bekeken is een euro niets anders dan een schuld aan de overheid, passiva op haar balans, die ze belooft te recht te zetten door belasting te heffen. De euro in je zak representeert een schuld van jou aan de overheid. Geld is geen goudklompje, maar een schuldbriefje.

Dit onderscheid heeft grote praktische gevolgen. Het betekent dat de overheid, in tegenstelling tot jij en ik, niet platzak kan raken. Het kan zijn dat de overheid niets meer te kopen heeft – waardoor de prijs stijgt en er inflatie ontstaat – maar ze kan niet zonder geld komen te zitten. De voorraad Bijenkorf-cadeaubonnen in de Bijenkorf kan niet opraken.

Dit argument overtuigt vooral degenen die willen dat de overheid meer diensten levert aan haar burgers en is simpel genoeg om te begrijpen voor mensen die geen econoom zijn. “Ik heb nog nooit zo’n overtuigend verslag gehoord van hoe geld werkt,” zegt Myerson tegen me. “Ik heb deze gasten in debat zien gaan met allerlei soorten mensen. Niemand heeft ze ooit verslagen.”

“Deze gasten” kwamen in september bij elkaar voor ‘s werelds eerste moderne geldtheorie-conferentie ooit, in Kansas City. Op dit evenement kwamen 225 academici, activisten en investeerders bij elkaar en op de livestream keken nog eens duizenden kijkers.

In Kansas City sprak Stephanie Kelton, de mediagenieke voormalig adviseur van Bernie Sanders, over het eenvoudige probleem in de huidige Amerikaanse economie: “Het gebrek aan massavraag” dat leidt tot “chronische werkeloosheid.” Met andere woorden, Amerika’s probleem is niet dat ze te weinig kunnen maken (aanbod) maar dat ze zich niet kan veroorloven (vraag) wat gemaakt wordt. De potentiële productie overtreft het vermogen om te consumeren.

“De overheid kan zich ieder plan veroorloven. Het hoeft de belastingen niet op te schroeven,” voegt Kelton toe. Maar omdat politici zowel links en rechts dit niet begrijpen, “zijn er kinderen met honger, blijven bruggen ongebouwd.”

Hoewel de massamedia er haast niet over reppen, is dit idee bij economen niet bepaald controversieel. Simon Wren-Lewis, als econom verbonden aan de Universiteit van Oxford, mailt me: “De meeste reguliere en niet-ideologische economen zijn het eens dat de Verenigde Staten meer moet investeren in de infrastructuur en dat overheidsleningen de beste manier om dit te financieren.” Hij vervolgt: “Veel mensen denken dat bezuinigen een logische macro-economische strategie is, maar dat is het niet. Mensen die tegen bezuinigingen zijn, zoeken naar alternatieve theorieën, MMT biedt er één.”

Werkloosheid en onderbezetting als gevolg van te weinig uitgaven zijn problemen die de economen kunnen oplossen. Ieder economieboek voor beginners erkent dat de overheid ieder moment de vraag omhoog kan gooien door belastingen te verlagen (als de private sector meer geld overhoudt kan hij meer uitgeven) of door uitgaven rechtstreeks te verhogen (meer geld drukken en via overheidsuitgaven de economie in laten vloeien).

Het probleem is dat allebei deze beleidsstrategieën overheidstekorten veroorzaken en dat de meeste politici dat een slecht idee vinden. Conservatieven zijn bang dat verhoogde overheidsuitgaven de private sector “verdringt”. Een voorstander van MMT zou dan zeggen, dat verdringen alleen gebeurt wanneer de economie op volledige capaciteit draait. De stagnerende lonen en lage rente van dit moment tonen aan dat er voldoende speling in de economie zit voordat inflatie op zal treden.

Het enige nadeel, zo geloven MMT-discipelen, is dat een staatsschuld kan leiden tot inflatie. In de jaren zeventig ontstond inflatie doordat president Lyndon Johnson in 1960 tijdens een hoogconjunctuur weigerde de belastingen te verhogen om de Vietnamoorloog en de Great Society te bekostigen. Het was één van de economische factoren die zorgde voor de verkiezing van Ronald Reagan.

Maar de afgelopen 35 jaar is er nauwelijks inflatie geweest. Sinds 2012 blijft Amerikaanse Centrale Bank (Federal Reserve) elk jaar onder de grens van twee procent. Sterker nog: op dit moment is deflatie een grotere bedreiging voor de wereldeconomie. Voor mensen die geloven in MMT is het overduidelijk dat er door de overheid meer uitgegeven moet worden en nogal frustrerend dat er niet genoeg mensen zijn die dat begrijpen.

De oorspronkelijke profeet van MMT is Warren Mosler. Dertig jaar geleden werkte hij als investeerder op Wall Street. Door goed te bestuderen hoe de Amerikaanse overheid precies belast, leent en uitgeeft probeerde hij zijn concurrenten slimmer af te zijn.

Hij is fit, gebruind en momenteel woonachtig op de Maagdeneilanden om zijn belastingkosten te drukken. De 68-jarige multimiljonair is een behoorlijk verrassende woordvoerder voor het progressief economische gedachtegoed. Zijn vriend en hedgefonds-partner Sanjiv Sharma noemt Mosler een “politiek agnost”.

Als jongetje fascineerden machines hem. Hoe ze werkten, hoe je ze repareerde en hoe je ze in elkaar zet. Mosler vertelt me dat hij van plan was om werktuigbouwkundige te worden. Hij switchte naar economie toen hij erachter kwam dat dat veel makkelijker was. In 1971 studeerde hij af aan de universiteit van Connecticut en werd meteen aangenomen bij een lokale bank waar hij al snel promotie maakte. Kort daarna verliet hij New England om naar Wall Street te gaan.

“Ik bezie de dingen op een elementair niveau,” zegt Mosler. Hij onderzocht heel precies hoe de Amerikaanse Centrale Bank en het ministerie van Financiën interacteerden met de bredere economie. Hij wilde begrijpen wat de balans houdt wanneer het ministerie belastingen int en staatsobligaties en geld uitgeeft of drukt. Hij kwam tot de conclusie dat de meeste mensen de relatie tussen de overheid en de vrije sector achterstevoren zien.

De meeste mensen nemen aan dat de overheid belasting moet innen voordat ze het kunnen uitgeven. Net zoals jij en ik geld moeten verdienen voordat we iets kunnen kopen. Als ze meer wil uitgeven dan ze int – en dat is bijna altijd zo – moet ze dit lenen op de obligatiemarkt. Maar toen Mosler heel precies keek naar hoe de overheid zijn uitgaven verantwoordt zag hij dat uitgaven bijna altijd eerst zijn. Als het tijd is om jouw zorgtoeslag over te schrijven, kijkt de overheid niet eerst of ze genoeg geld heeft dit te betalen. Ze maakt het geld gewoon direct over naar je bankrekening en schrijft het tegelijk bij zichzelf af – ze schept geld uit het niets.

Hetzelfde gebeurt als jij je belasting betaalt, maar dan andersom. De overheid int geld van jouw rekening en streept een even groot bedrag weg aan de passiva kant van de streep, hiermee vernietigt ze feitelijk jouw geld. In tegenstelling tot huishoudens, bedrijven of zelfs regionale overheden, kan de nationale overheid geld drukken. Ze voegt geld toe aan de economie als ze iets uitgeeft, en haalt het eruit met belasting. “Niets weerhoudt de overheid ervan zoveel geld te maken als ze wil en het aan iemand te geven,” zei Alan Greenspan, toen nog het hoofd van de Amerikaanse Centrale Bank, tegen Paul Ryan in een hoorzitting in 2005.

Wren-Lewis, de econoom uit Oxford, vindt dat MMT radicaler klinkt dan het eigenlijk is. “Heel veel van wat ze betogen is algemene kennis. Als de rente laag is dan is anti-bezuinigingsbeleid heel gangbaar,” zei hij. “Wat betreft het theoretisch kader, zou ik zeggen dat het vrij veel lijkt op het jaren zeventig Keynes-model, met daarbij een heel modern begrip van hoe bankgeld wordt gecreëerd.” Kelton vertelde me dat MMT niet probeert te veranderen hoe de overheid haar belasting uitgeeft – het beschrijft gewoon hoe ze dit op dit moment doet.

Moslers begrip van geld gaf hem het volgende inzicht: iedere overheid die zijn eigen valuta drukt kan niet bankroet gaan. Aan dat inzicht heeft hij miljoenen verdiend.

In het begin van de jaren negentig had Italië problemen met hoge schulden en lage belastingopbrengsten. Economen en handelaren vreesden dat het land op het punt stond om te vallen. Staatsobligaties schoten als paddestoelen uit de grond. Maar Mosler zag dat Italië niet failliet zou gaan: het land kon zoveel lire drukken als ze maar nodig had (de euro kwam pas in 2002). Hij leende lire van de Italiaanse banken tegen een lagere rente dan de staatsobligaties en gebruikte dit geld om de staatsschuld op te kopen die andere investeerders aan het dumpen waren. In een paar jaar verdiende hij en zijn klanten meer dan honderd miljoen dollar aan deze deal.

Hierna wilde Mosler de dialoog aangaan met academici. Hij schreef naar Harvard, Princeton en Yale met zijn analyse maar hij werd genegeerd. Dankzij zijn contact met republikeinse politicus Donald Rumsfeld wist Mosler een lunch te regelen met politiek econoom Arthur Laffer (uitvinder van de ‘Laffercurve’, die het verband weergeeft tussen belastingtarieven en de -ontvangsten). Laffer vertelde Mosler dat hij niet te veel moest verwachten van de Ivy League-faculteiten, maar dat er wel een maffe, onorthodoxe groep was, de post-Keynesianen, die misschien interesse hadden.

Deze economen – waaronder Randy Wray, Bill Mitchell en Stephanie Kelton – vertelden Mosler over de ‘chartalisten’, een groep economen aan het begin van de twintigste eeuw die geld zagen als schuld gecreëerd door de staat. (MMT wordt soms ook “neo-chartalisme” genoemd.) Mosler was dus niet de eerste met deze gedachte.

Mosler legde aan de post-Keynesianen uit dat overheidsuitgaven niet gefinancierd worden met belastingen en leningen. Kelton geloofde hem eerst niet.
“Warren verspreidde al deze ideeën die zo extreem klinken. Het is het omgekeerde van alles dat we ooit geleerd hebben,” vertelt ze me. Ze besloot een paper te wijden aan het ontkrachten van Moslers theorieën, maar toen ze goed keek naar de interactie tussen de Centrale Bank, het ministerie van Financiën en de private banken moest ze tot haar verbazing concluderen dat hij gelijk had. “Na al dat onderzoek,” zei ze, “belandde ik op precies dezelfde plek als Warren maar dan met een heleboel ingewikkelde details.” Belasting en staatsobligaties komen na de uitgave; hun doel is niet om de overheid te financieren maar om geld uit het systeem te halen, zodat het niet oververhit raakt.

Alhoewel Mosler’s ideeën van buiten de wetenschappelijke wereld kwamen, hadden zijn theorieën wel wat gemeen met het werk dat sommige economen hadden gedaan. “Warren herinnerde mensen aan dingen die we hadden moeten weten,” zei Kelton. “Hij deed een originele bijdrage aan het debat, dat zeker, maar hij herinnerde ons ook aan wat zestig tot tachtig jaar geleden al was vastgesteld. Lessen die we vergeten waren.”

Kelton en Wray lieten Mosler de macro-economische analyse van Wynne Godley zien: de zogenaamde sectoral balances approach. Deze stelt dat overheidstekorten niet alleen ongevaarlijk zijn, ze hebben een voordeel. Als je Godleys theorie eenvoudig samenvat komt het erop neer dat iedere economie twee sectoren heeft: de vrije of private sector en de publieke- of overheidssector. Als de overheid meer uitgeeft dan ze binnenhaalt met belasting, ontstaat er een tekort. Dat tekort in de publieke sector betekent automatisch een overschot in de private sector.

Kelton legt het zo uit: stel je voor dat ik de gehele overheid ben, en jij de gehele private sector. Ik geef honderd euro uit aan oorlog, bruggen of onderwijs. De vrije sector gaat aan het werk om het doel te behalen en de overheid betaalt honderd euro. Dan komt de belasting: negentig euro gaat terug naar de staat, er blijft tien euro over in de private sector. Dit is hoe een tekort ontstaat: de overheid geeft meer uit dan ze verdient. Maar jij, de private sector, hebt tien euro over die er daarvoor niet was. Om geld te vergaren in de samenleving moet de overheid een tekort hebben.

Mosler’s hedgefonds haalde winst uit deze theorie. Aan het eind van de jaren negentig dacht ongeveer iedereen dat Clintons begrotingsoverschot de Amerikaanse economie sterkte. Maar Mosler realiseerde zich dat het begrotingsoverschot van Clinton betekende dat de overheid door belastingen meer geld uit het bedrijfsleven trok dan het investeerde. Mosler beredeneerde dat dit particuliere tekort (het tegenovergestelde van het overheidstekort) onvermijdelijk zou leiden tot recessie. Daarom wedde hij dat de rente zou dalen (wat gebeurde in 2001) en wederom cashte zijn hedgefonds als boeven bij een bankoverval.

Tegenwoordig denken voorstanders van MMT aan grotere thema’s dan hun eigen broekzak. Voor Kelton was het grootste probleem in de Amerikaanse economie werkloosheid en onderbezetting. Ze zegt dat twintig miljoen Amerikanen fulltime werk willen – maar het niet kunnen krijgen. Dat is een enorme verspilling van productiemiddelen en talent. Om banen te creëren moet onze collectieve vraag omhoog. “Je kunt van uitgaven niet de boeman maken in een economie die afhankelijk is van verkoop,” zegt ze. “Kapitalisme draait op verkoop. Om de economie te stimuleren, het BNP te verhogen, moet je meer uitgeven.”

Eén van de dingen die je kunt doen is belastingen verlagen, vooral de belastingdruk op de gemiddelde burger in plaats van de rijkste één procent. “Een belastingverlaging voor de werkende bevolking heeft hetzelfde effect als een salarisverhoging,” vertelde Kelton me. “Wat was de laatste keer dat jij salarisverhoging kreeg?”

Hoewel MMT’ers voorstanders zijn van zo ongeveer iedere fiscale stimulus (waaronder uitgaven aan infrastructuur en belastingverlaging) zijn door de overheid gefinancierde lokale banen kenmerkend voor het gedachtegoed. Iedereen die werk wil, full- of parttime, krijgt twaalf euro per uur voor projecten die van belang zijn voor de (lokale) gemeenschap. Dit kan wegenbouw betekenen, maar het kan ook ouderenzorg zijn of kinderdagverblijven. Zo worden noodzakelijke diensten geleverd en heeft iedereen werk.

“Het is een extreem effectief anti-armoedeprogramma,” zegt Randy Wray in een panelgesprek tijdens de conferentie. Fulltime verdien je met deze banen zo’n 25.000 euro per jaar – dat is genoeg om een familie met vijf kinderen uit de armoede te halen. Wray en Kelton berekenden dat dit programma veertien tot negentien miljoen banen zou creëren, vierhonderd tot vijfhonderd miljard aan het BNP zou toevoegen en minder dan één procent inflatie zou veroorzaken. Mosler noemt het het ‘tijdelijke banenplan’ omdat hij zeker weet dat de extra vraag die gecreëerd wordt door deze uitgaven ervoor zal zorgen dat er veel meer banen bij komen in de private sector.

Tien jaar na de financiële crisis is de Amerikaanse economie er nog steeds niet bovenop. Kelson noemt het een ‘rommeleconomie’. Hoewel de officiële werkloosheid laag is, maskeert dit getal de lange periode van stagnatie van de lonen. De koopkracht van het modale inkomen in Amerika is nu lager dan toen Jimmy Carter president was. Voor het eerst in de geschiedenis krijgen de meeste Amerikanen het waarschijnlijk slechter dan hun ouders. Donald Trump won vorig jaar omdat hij erkende dat, voor veel mensen, de Amerikaanse droom dood is en de Amerikaanse economie een lachertje.

MMT zegt dit te kunnen repareren, er moeten alleen meer banen komen en Amerika moet zich niet langer zorgen maken over begrotingstekorten.

Mosler is er zeker van dat als mensen de inzichten van MMT begrijpen, ze deze niet meer vergeten. “Niemand komt erop terug.”

Myerson is minder optimistisch. Volgens hem is het niet genoeg om het publieke debat te winnen. “De miljardairs hebben de macht, dus de economische theorie die hun agenda steunt zal dominant zijn.” Als overheidsuitgaven de norm worden, vloeien de macht en rijkdommen weg van de heersende klasse. Myerson vermoedt dat dit niet zonder slag of stoot zal gaan. En daarbij: “Er is geen trickle-down effect bij MMT. Mensen zullen het zelf moeten organiseren.”

Logo

Logo