×
footer logo
© 2017 VICE Media LLC
×

Logo Ik collecteerde voor het Leger des Heils in een arme en een rijke wijk

Vice channels
 

Ik collecteerde voor het Leger des Heils in een arme en een rijke wijk

GZ
Gwen van der Zwan, Photo: Frederieke van der Molen

22 december, 2017, 17:01

Op beide plekken viel mijn mond verder open dan mijn collectebus.

Als ik lekker onder de kerstboom zit passeert altijd wel weer het verhaal van Ebenezer Scrooge de revue. Scrooge is symbool geworden voor de rijke vrek die niets over heeft voor de arme medemens. In Charles Dickens’ A Christmas Carol, waarin Scrooge de hoofdrol speelt, komen er op kerstavond collectanten aan de deur, die zelf arm zijn en zo edelmoedig om geld in te zamelen voor hun lotgenoten. Scrooge zegt dat als “ze niet genoegen nemen met de werkhuizen […] ze beter kunnen sterven om de overbevolking te verminderen.” Een klassiek voorbeeld van de armen als good guys versus de rijke slechterik dus.

Ik heb me altijd afgevraagd of het cliché, dat rijken gierig zijn en armen niet, wel klopt. Dit filmpje lijkt het wel te bevestigen, maar erg veel bewijst het niet omdat de collecte van deze jongen al vrij snel wordt verhinderd te collecteren. Omdat ik denk dat ik dit zelf beter kan, ben ik erop uitgegaan voor het Leger des Heils. Ik collecteerde in zowel het rijke Amsterdam Oud-Zuid als in de minder rijke Schilderswijk in Den Haag met in mijn achterhoofd de kerstige hypothese: rijken zijn gierig en armen zijn gul.

De Haagse Schilderswijk

Op een ijskoude vrijdag stap ik vol goede moed een buurthuis van de Haagse afdeling van het Leger des Heils binnen om mijn collectebus op te halen. Ter plaatse krijg ik een kopje koffie en een schouderklopje van heilsoldaat Tini Brand, die al sinds haar 18e collecte loopt en nu leeft van een AOW-tje. Ze vertelt me over haar vele jaren ervaring en bevestigt mijn hypothese. “Rijken geven niets, ik krijg hoogstens een paar centen van hun huishoudster. Terwijl de hoertjes bijvoorbeeld me altijd minstens 25 euro geven. Die weten hoe het is om weinig te hebben.”

Volgens heilsoldaat Tini Brand geven rijken niet zo veel.

Hoop doet leven en zodoende snel ik naar de Schilderswijk om eens even flink te gaan strijden voor ‘het leger’, zoals de andere vrijwilligers het trots noemen. Eenmaal klaar om euro’s te ontvangen blijf ik aanvankelijk onopgemerkt. Slechts een paar buitenlandse mensen stoppen kleine bedragen in mijn bus als ik ze aan de mouw trek. Een echte Hagenees stormt me boos voorbij als ik mijn bus ophoud. Als ik haar vraag naar haar redenen om niets te geven verklaart ze: “dat gaat je geen reet ‘an!” Een andere Nederlandse man beantwoordt mijn vraag naar wat wisselgeld met “geen discussie”.

Ik begin al te neigen naar een ander klassieke stereotypering, te weten: oude Nederlanders zijn gierig en recentere aanwinsten zijn gul, maar op dat moment ontmoet ik Abdel, een Marokkaans-Nederlandse jongen die uitspraken doet waar mijn morele alarmbellen flink van gaan rinkelen. Terwijl hij mij zijn flappen cash laat zien, zegt hij dat hij nimmer een cent aan de armen zal geven omdat “daklozen en ander lui volk maar moeten gaan werken.”

Als ik hem vraag hoe mensen zonder verblijfs- of werkvergunning dan moeten overleven zegt hij: “het zijn allemaal illegalen zonder rood paspoort. Ze moeten terug naar hun eigen land!” Voor migranten uit Marokko geldt dit volgens Abdel des te meer, want die komen in het bijzonder “onze banen inpikken.” Daarna vraagt hij of ik vrijwillig collecteer. Als ik dit beaam verzekert hij me dat ik “hieraan kapot zal gaan.” Ik geloof dat ik in Abdel de allochtone achterban van Geert Wilders heb gevonden.

Hierna tref ik in een ietwat armoedig straatje een aantal mensen bij hun voordeur. Een jongen zegt dat “alle rijken gierige teringlijers zijn.” Verder verklaren de meesten te arm te zijn om iets te doneren. Dat hoor ik tijdens mijn ronde in de Schilderswijk vaker. “Ik heb niks, ik ben arm.” of “we houden hier zelf maar net het hoofd boven water.” Aan het einde van de ronde door de Schilderswijk, die een aantal uur in beslag neemt, heb ik vijftien euro ingezameld en een hoop stof tot nadenken. Als arm zijn een reden is om niets te geven, biedt de rijke wijk waar we straks gaan collecteren wellicht perspectief op meer cash.

Amsterdam Oud-Zuid

De villa’s in Oud-Zuid doemen al van verre op aan de horizon. Ik collecteer in een straat vol met goudkleurige deurknoppen op deuren die voorzien zijn van zes sloten en camerabewaking. Amsterdam Oud-Zuid heeft wel iets weg van Disneyland, met zijn hekken, kasteeltorentjes en marmeren trapopgangen.

Bij de eerste persoon die we bij zijn voordeur treffen is het al raak. Vele euro’s kletteren in mijn collectebus. Ook bij de volgende welgestelden in de straat is er aan donaties geen gebrek. Er zijn in geen velden of wegen ‘gierige teringlijers’ te bekennen; slechts frisse mensen met gepoetste schoenen, mooie sporttassen en gezonde gebitten. Maar wat is er hier nou aan de hand? Uiteraard vraag ik enkele gulle gevers naar de redenen voor hun gulheid. Zo vertelt een meneer mij dat welgestelden mensen nou eenmaal meer betrokken zijn bij de wereld. “Wij lezen iedere dag de krant, kijken het nieuws en stemmen PvdA of Groenlinks. We zijn betrokken omdat we hoogopgeleid zijn en ons bezighouden met wat er speelt in de wereld.” Later zegt hij: “mensen in de Schilderswijk zien het leven niet meer zitten. Het kan ze daarom allemaal niet meer schelen wat er gebeurt. Daarom doneren ze niet.” Ik en mijn fotograaf – die in de Schilderswijk woont – luisteren naar zijn verhaal, waarna we ontzet verder lopen.

Flappen worden er in ieder geval genoeg in mijn bus geduwd. Maar wat is een tientje nou, op het jaarsalaris dat ze hier verdienen? Zoals het tientje dat ik krijg van prinses Annette Sekrève – de vrouw van Prins Bernhard Junior, die ook onderdeel van mijn ronde uitmaakt. Tien euro is natuurlijk een gulle gift, maar zoals we allemaal uitgebreid hebben kunnen volgen in de media, is dat tientje verdiend met de 590 Amsterdamse panden die Bernhard aan expats verhuurt.

In deze boodschappentassen zitten een paar oude wollen jassen.

De overbuurvrouw van Bernhard en Annette verblijdt ons niet alleen met briefgeld maar ook met een aantal sjieke wollen jassen die ze nog apart had liggen voor het goede doel. Ik vraag haar of ze veel doneert aan goede doelen. “Ja,” zegt ze. “Niet alleen doneer ik standaard iedere maand aan verschillende goede doelen, ook probeer ik via andere wegen te helpen, bijvoorbeeld door altijd aan collectanten te geven of kleding te schenken.” Als ik haar vraag naar haar ideeën over de gulheid van haar buurt is ook zij er zeer zeker van dat in Oud-Zuid meer gedoneerd wordt dan in armere woonwijken.

Aan het einde van de rit hebben we zo’n vijftig euro en een paar jassen opgehaald bij de rijken. Dit is meer dan in de Schilderswijk. Als ik dit tegen Chris van Hunen van Leger des Heils locatie Oud-Zuid zeg, verbaast het hem niets. “In deze wijken halen we altijd meer op,” zegt hij.


Maar heb ik nu antwoord op mijn vraag, of armen guller zijn of rijken? Zowel in de Schilderswijk als Oud-Zuid denken ze dat zij de gulste gevers zijn. Dat is opvallend – al moet je het natuurlijk in verhouding zien. Het is hartstikke lekker om tegen de ‘gierige’ rijken te schoppen, maar ergens kunnen ze het natuurlijk nooit helemaal goed doen. Zelfs niet als ze 50% belasting betalen over hun inkomen en geen centen maar briefjes aan het Leger des Heils schenken.

Ik moet na mijn collecte toch echt toegeven dat niet alle rijken vrekken zijn. En een bewoner van de Schilderswijk voelt zich na een donatie van vijftig cent al gul. Geef hem eens ongelijk.

Logo

Logo