×
footer logo
© 2017 VICE Media LLC
×

Logo Ik ging met de deurwaarder mee huizen ontruimen en waande me in een absurd toneelstuk

Vice channels
 

Ik ging met de deurwaarder mee huizen ontruimen en waande me in een absurd toneelstuk

GZ
Gwen van der Zwan, Photo: Ryan Oosterling

1 december, 2017, 11:20

“We laten bloed altijd indikken voordat we het van de muren schrapen”

Ik zit in de trein naar Rotterdam, op weg naar een afspraak met deurwaarder Maritza Bernardt. Eerder deze week ging ik met haar mee om beslagleggingen te doen. Vandaag is het tijd om huizen te ontruimen. Ze haalt me op van het station. Bernardt zou je kunnen zien als aanvoerder van het ontruimingsteam. Vrolijk gooit ze de autodeur voor me open.

Onderweg naar ons eerste adres waarschuwt Bernardt me voor de hoeveelheid agressie en geweld waar deurwaarders mee te maken krijgen tijdens ontruimingen. Ze vertelt over een collega uit Dordrecht, die gewond raakte toen hij tijdens zijn werk op een boobytrap stuitte.

Het huis was total loss en van de bewoner was niets meer over. Achttien mensen raakten gewond, waaronder de deurwaarder.

De hulpofficier van justitie

Een ontruimingsteam bestaat doorgaans uit een deurwaarder, een slotenmaker en een hulpofficier van justitie: een soort politieagent. Ook de huisbaas is er bij, evenals een stuk of acht verhuizers. Als er ontruimd wordt bij iemand met een griezelig strafblad gaan er nog wat extra agenten mee. Meestal wordt een woning ontruimd omdat de huurder een huurachterstand heeft. De deurwaarder ontruimt mensen niet alleen vanwege schulden, maar ook vanwege overlast, of omdat ze een hennepkwekerij in huis hebben. Ook komen ontruimingen voor als een partner na een echtscheiding weigert te vertrekken.

Eenmaal bij de woning in Rotterdam-Zuid aangekomen, pakt de slotenmaker er een plastic kaartje bij. Hij zegt dat hij het gebruikt om deuren die niet op slot zijn gedraaid open te ‘wippen’. Dat kost hem een minuut of vijf. Voordat de deur opengaat, word ik geïnstrueerd een positie in te nemen waarbij ik buiten schot ben voor de mogelijk gewelddadige en eventueel nog aanwezige bewoner. Dit, samen met de verhalen over agressie en boobytraps, zorgt ervoor dat ik nogal bang word.

Op het moment dat de deur opengaat klinkt er een harde explosie. Ik begin te gillen. Het duurt even voor ik me realiseer dat er precies op het moment dat de slotenmaker de deur opendeed een stuk vuurwerk werd afgestoken. Stom toeval. De rest van de groep lacht me uit. De verhuizers maken opmerkingen als: “Gaat deze lafaard ons helpen om de ravage binnen op te ruimen, laat me niet lachen!” Ze beuken me op mijn schouder en vinden me duidelijk een doetje.



We betreden het appartement. Wat we daar aantreffen doet me denken aan wat de vrouw van John Nash aantreft in de film A Beautiful Mind, als ze erachter komt dat hij psychotisch is: zijn enorme verborgen verzameling bewaarde krantenknipsels, die allemaal even opwaaien als de deur opengaat. Het appartement ligt bezaaid met onbetaalde rekeningen. In een vuilniszak in het midden van de woonkamer tref ik de boekhouding van de bewoner aan, die zijn spullen heeft gepakt voordat de ontruimingsdienst er was. Het achterlaten van je boekhouding lijkt mij in zijn geval een niet zo handige vorm van struisvogelpolitiek. Je schulden verdwijnen immers niet als je ze op papier achterlaat. Maar als Bernardt mij vertelt hoe weinig hulp er geboden wordt aan mensen in zijn situatie snap ik zijn wanhoop ook wel: “De schuldsanering komt altijd te laat. Vaak pas na een ontruiming,” vertelt Bernardt.

In de tijd dat de slotenmaker een nieuw slot in de deur zet, hebben de verhuizers alles wat nog aanwezig was in de flat – inclusief vloerbedekking – in een container gegooid die klaar staat op straat. Daarna wordt er een bezem door het appartement gehaald, want de ontruimers hebben ook de taak om een pand bezemschoon te maken. Het appartement is weer klaar om verhuurd te worden. De huisbaas kijkt tevreden toe.



We treffen de verhuizers bij het volgende adres. De sfeer zit er inmiddels goed in en gezellig staan de mannen te roken en te kletsen. Als ik me bij ze voeg en wat vragen stel branden ze los. Ze maken er duidelijk een wedstrijd van om mij zoveel mogelijk te shockeren en geven elkaar een boks als het ze lukt om me een aantekening in mijn boekje te laten maken. Zo roept de één dat-ie een dood konijn wel erg vindt maar dat een dood mens hem niet boeit. Een ander vertelt over een flat vol maden. “Wat deden die maden daar?” vraag ik. “Er lag een lijk. Wat dacht je dan?” antwoordt de man.

Verhuizer nummer drie vertelt mij dat als het bloed van een lichaam vers is, ze het laten indikken voordat ze het opruimen. Ingedikt bloed ruim je blijkbaar makkelijker op. De laatste verhuizer vertelt over de verzameling ingevroren katten die hij een keer bij “zo’n psychopaat” thuis in een gigantische vriezer vond. Als ik hem vraag of hij zelf geen dode dieren in zijn vriezer heeft, kijkt hij mij schaapachtig aan. Ik geloof niet dat deze mannen ooit overwogen hebben om vegetariër te worden.

De deur van woning nummer twee is een stuk moeilijker open te krijgen. De bewoner, die ook ditmaal niet aanwezig blijkt, heeft alle drie zijn sloten op slot gedraaid. We zijn drie kwartier bezig voordat de slotenmaker eindelijk alle sloten eruit heeft geboord. Eenmaal binnen blijkt dat deze bewoner behoorlijk veel van zijn inboedel heeft achtergelaten. “Waarschijnlijk omdat-ie er geen ander adres voor kon vinden,” zegt Bernardt.

Als ik even op een bank zit voordat die ontruimd wordt laat ik alles bezinken. Ik zit in iemand zijn huis, tussen iemand zijn spullen, die nu misschien wel op straat zwerft. Zoals Bernardt aangeeft, belanden vooral mannen op straat. “Moeders met kinderen worden meestal nog wel opgevangen. Maar de opvang voor mannen zit overal vol.” Ik zie dat de bewoner een paar dagen eerder gordijnen bij de Blokker heeft gekocht. Ze zitten nog in verpakking en het bonnetje zit erbij. Ik vraag me af waarom iemand dat zou doen, zo vlak voor het einde. Mijn gedachten worden verstoord als de kleinste verhuizer me in het voorbijgaan nog even toeroept dat hij een keer ergens een bewoner zijn polsen voor zijn ogen zag opensnijden. Ik pak mijn notitieboekje en schrijf het op.

Als ik in de gang sta te wachten terwijl de inboedel de lift in wordt geschoven krijg ik een duw van een passerende dame van minstens tachtig jaar oud. “Geen fatsoen,” murmelt ze. Ze is boos omdat we de lift bezet houden. Ik kan het niet nalaten te grinniken. Ondertussen joelen de ontruimers dingen naar elkaar in een plat Rotterdams accent dat bijna niet meer te ontrafelen valt. Ik voel me ontheemd, op een gekke manier, alsof ik op een feestje ben waar ik niemand ken. De sfeer zit erin, mensen roken shaggies en iedereen kletst met elkaar.

Waar ik vandaag een mineurstemming had verwacht, was het gek genoeg heel gezellig. Want alhoewel de ‘ontruimers’ weinig mededogen leken te hebben, wisten ze de stemming erin te houden. En ach, dode mensen zijn niet erg; alleen maar objecten die de bezemschoonheid van een woning in de weg staan. Dit shockeert me zo dat ik besluit hier meer onderzoek naar te doen. Maar voor nu neem ik vooral mee dat er meer schuldhulpverlening moet komen. En misschien moet ik mijn vrienden met schulden maar eens gaan helpen. 

Lees hier de andere stukken die VICE Money deze week over deurwaarders publiceerde.

Logo

Logo