×
footer logo
© 2017 VICE Media LLC
×

Logo De vergeten anti-kapitalistische oorsprong van Monopoly

Vice channels
 

De vergeten anti-kapitalistische oorsprong van Monopoly

TD
Tristan Donovan

22 mei, 2017, 16:33

Het wereldberoemde bordspel begon uit verzet tegen grootgrondbezit.

In 1877 was de VS een tot op het bot verdeeld land. De meeste arbeiders moesten zwoegen alsof ze in een strafkamp zaten, en voor een karig loon, terwijl hun werkgevers puissant rijk werden. Denk aan mannen als John D. Rockefeller, wiens bedrijf Standard Oil een monopoliepositie op het raffineren van olie vergaarde, en Cornelius Vanderbilt, koning van de Amerikaanse spoorwegen. Mannen die in de daaropvolgende decennia hun wurggreep op de Amerikaanse industrie alleen maar zouden verstevigen. Niemand belichaamde de mentaliteit van deze superrijken meer dan J.P. Morgan, de financier die zijn vermogen en zijn contacten gebruikten om gigantische staalbedrijven als US Steel op te zetten, het eerste miljardenbedrijf. Morgan belichaamde het populaire beeld van de negentiende-eeuwse kapitalist: een bankier met een wandelstok, een witte snor, een smoking en een hoge hoed.

Sommigen zagen deze mannen als kartrekkers van de economie die alle Amerikanen rijker maakten, en prezen hun mensenliefde. Anderen zagen ze als chique oplichters die hun macht en rijkdom gebruikten om de concurrentie de kop in te drukken, werknemers uit te buiten, en de democratie te ondermijnen door corrupte politici om te kopen. Terwijl deze industriëlen en financiers miljoenen verdienden, spleet de maatschappelijke kloof verder open. Mensen begonnen over klassenstrijd te spreken en vormden vakbonden om de macht terug te pakken.

De econoom Henry George geloofde dat hij een beter antwoord had op de ongelijkheid die het land verscheurde, en in 1879 zette hij zijn ideeën uiteen in een boek dat Progress and Poverty heet. George redeneerde dat onontwikkeld land door God aan de mens was gegeven, en dat menselijke arbeid het land in waarde deed toenemen. Daardoor was het geld dat landeigenaren verdienden simpelweg door land te bezitten eigenlijk van iedereen, en zou de overheid al dat geld moeten terugvorderen uit naam van de samenleving, door de grondwaarde te belasten. De opbrengst van deze grondwaardebelasting, dacht George, zou zo hoog zijn dat alle andere belastingen afgeschaft konden worden, waardoor mensen alle inkomsten uit hun arbeid zelf konden houden. Dit, concludeerde hij, zou de kloof tussen rijk en arm verkleinen.

Tegenstanders brachten in dat het plan landeigenaren zou belasten ongeacht hun vermogen om te betalen, omdat land niet altijd direct productief te maken is, en dat zo’n belasting de investeringen van landeigenaren kan verminderen in plaats van vergroten. Toch voelden veel mensen wel iets voor de plannen van George. Progress and Poverty werd een bestseller en bracht een nieuwe politieke beweging voort, de beweging voor één belasting, die George’s theorie in de praktijk wilde brengen.

Alle illustraties door Lia Kantrowitz

Elizabeth Magie sloot zich aan bij de strijd voor een samenleving met maar één belasting. Magie werd geboren in Macomb in Illinois in 1866, en was een moderne vrouw gevangen in een niet-moderne tijd. Ze werkte, schreef gedichten over liefde en oneerlijkheid, pende korte verhalen, en maakte indruk op haar theatervrienden met overtuigende voorstellingen van mannelijke karakters. Magie was ook uitvinder. Op haar 26e maakte ze een apparaat waarmee papier makkelijker in typemachines te stoppen was, en ze kreeg een patent in een tijdperk waarin minder dan één procent van alle patenten in handen was van vrouwen. Ze leerde de theorieën van George kennen doordat haar vader haar een exemplaar van Progress and Poverty cadeau deed. Na het boek gelezen te hebben werd ze een één-belasting-aanhanger, sloot zich aan bij de beweging en werd later ook nog secretaris van de Women’s Single Tax Club van Washington DC. Toen George in 1897 overleed zweerde Magie, net als andere single taxers, te blijven vechten voor zijn idealen. Zonder de charismatische leider verloor de beweging echter snel momentum.

Maggie liet zich niet stoppen en zocht nieuwe manieren om interesse in het één-belasting-systeem nieuw leven in te blazen. Ze probeerde dat te bereiken door lezingen te geven over het onderwerp, maar vond dat ze te weinig mensen bereikte. Daarom ontwierp ze in 1902 een bordspel dat George’s ideeën tot leven bracht door te laten zien hoe grootgrondbezitters de samenleving schade berokkenen, en hoe een belasting op grondwaarde de oplossing was.

Ze noemde het The Landlord’s Game.

In het spel liepen spelers rondjes over het bord en gebruikten ze nepgeld om kavels, stations en verdere benodigdheden te kopen. Na een stuk land te hebben gekocht konden spelers iedereen die op hun land kwam huur laten betalen. Ook konden ze huizen bouwen, waardoor de huur zou stijgen. Als spelers een rondje over het bord hadden gelopen kwamen ze op een hoekje met de tekst “Het bewerken van Moeder Aarde levert inkomen op”, en ontvingen ze honderd dollar. Op andere vakjes op het bord moesten spelers belasting betalen, benodigdheden kopen of een Kans-kaart pakken. In een hoek van het bord was een vakje waarop stond “Verboden toegang, naar de gevangenis!”. Dit vakje, zo legde ze uit in een artikel voor de Single Tax Review, was eigendom van een Britse grootgrondbezitter, en representeerde “Amerikaanse grond in buitenlandse handen”. Iedereen die erop belandde werd naar de gevangenis in de tegenovergestelde hoek gestuurd, waar ze moesten blijven tot ze dubbel gooiden of een boete van vijftig dollar betaalden. Het laatste hoekje van het bord bevatte een openbaar park en het armenhuis waar failliete spelers naartoe werden gestuurd. Spelers konden het armenhuis pas verlaten als een andere speler ze genoeg geld leende om hun schulden mee af te betalen. Na een vooraf bepaald aantal ronden was het spel klaar. De speler met het meeste geld was de winnaar.

Dit spel zou later Monopoly gaan heten. Maar wat Magie met het spel voor ogen had zat mijlenver af van de internationale bekendheid die dit spel zou krijgen.

The Landlord’s Game toonde volgens Magie aan “hoe grootgrondbezitters geld binnenkrijgen en niet meer uitgeven.” Door het spel zouden kinderen leren dat “de snelste manier om rijkdom en macht te vergaren is om al het beste land te kopen en het niet meer van de hand te doen.” Ze gaf toe dat dit ook een gevaarlijke les kon zijn, maar geloofde oprecht dat het spel kinderen in staat zou stellen “om te zien hoe oneerlijk het huidige landsysteem is” en dat die kinderen zouden opgroeien tot volwassenen die hiertegen in actie zouden komen.

Voor het geval dat de boodschap nog niet helder genoeg was, stelde Magie alternatieve spelregels op die bedoeld waren om aan te tonen dat één belasting een gelijkere samenleving zou creëren. In deze versie van het spel was er geen armenhuis, spullen kopen was niet nodig, en het vakje met “verboden toegang!” werd een ruimte voor “gratis onderwijs”, waardoor spelers ook niet meer in de gevangenis terechtkwamen. Het huurstelsel was ook anders. De huur op onontwikkeld land ging naar de schatkist in plaats van naar de landeigenaren, en spelers konden pas geld verdienen als ze op hun land huizen bouwden voor anderen. Deze regels waren echter optioneel. Het hoofdspel bleef bestaan uit een strijd voor wie het eerst rijk werd over de rug van anderen, maar Magie geloofde er heilig in dat mensen die The Landlord’s Game speelden de onrechtvaardigheid hiervan zouden inzien.

Na het spel in 1904 te hebben gepatenteerd begon Magie met de hand kopieën van het bord te maken voor andere mensen uit de één-belasting-beweging. Een daarvan gaf ze aan de inwoners van Arden in Delaware.

Het stadje Arden was gesticht in 1900. Het was een van meerdere sociale experimenten in Georgistische economie, gefinancierd door zeepmiljonair Joseph Fels. Deze zakenman had eerder zo’n experiment ondersteund in Fairhope in Alabama, en wilde de lessen die hij hiermee leerde uiteindelijk toepassen om een Joods land te stichten, gebaseerd op George’s één-belasting-theorie.

Inwoners van Arden konden land leasen, maar nooit bezitten. De huur die ze betaalden was een afspiegeling van de grondwaarde, en al het geld dat ze betaalden werd opnieuw geïnvesteerd in de gemeenschap. Deze alternatieve manier van leven trok niet alleen één-belasting-voorstanders aan, maar ook andere radicalen en non-conformisten, waaronder socialisten als Upton Sinclair, de schrijver van het geweldige boek The Jungle uit 1906, over de vleesindustrie in Chicago.

In Arden hielden de mensen van The Landlord’s Game. Het was immers gebaseerd op de waarden waarvoor ze naar deze nieuwe gemeenschap waren verhuisd.

Ze geloofde dat dit spel kinderen in staat zou stellen om “in te zien hoe oneerlijk het huidige systeem is” en dat die kinderen zouden opgroeien tot volwassenen die hiertegen in actie zouden komen.

Scott Nearing, hoogleraar economie aan de Universiteit van Pennsylvania, verhuisde in 1905 naar Arden en speelde het spel regelmatig. Hij dacht dat het een goed middel zou zijn om zijn studenten iets bij te brengen over landhuur en dus maakte hij zelf een kopie om te gebruiken in zijn college’s. Hij wist niet was de echte naam van het spel was, dus noemde het The Anti-Landlord Game. Zijn studenten vonden Monopoly of Business een betere naam, maar ze vonden het spel hoe dan ook erg vet. Sommigen maakte zelf kopieën, zodat ze het altijd en overal konden spelen.

Terwijl professor Nearing het spel met economiestudenten speelde, probeerde Magie het officieel uit te brengen. Eerst richtte ze zelf een uitgeverijtje op. In 1904 bracht ze een versie uit, maar met weinig commercieel succes. Daarna bood ze het aan Parker Brothers aan, de grootste spelletjesuitgeverij van het land. Parker Brothers wilde haar spel niet hebben. Te politiek en te moeilijk, zeiden ze.

Dat was op zich best eerlijke kritiek. Dat het spel politiek was, viel niet te ontkennen. Dat was het hele punt ervan. En in vergelijking met andere spellen was het inderdaad erg moeilijk. In die tijd verschilden spellen vooral qua thema. Spelers raceden met luchtschepen, klommen op de maatschappelijke ladder, of speelden de veroveringen van Napoleon na, maar de regels waren altijd hetzelfde: gooi een dobbelsteen, verzet je pion, en hoop dat je als eerste eindigt.

In vergelijking met zulke hersenloze competitie was The Landlord’s Game als George Orwells Animal Farm in een wereld vol variaties op Rupsje Nooitgenoeg. En terwijl The Landlord’s Game wegkwijnde in niemandsland, loste de beweging voor één belasting langzaam op.

Maar terwijl die politieke beweging slonk, won The Landlord’s Game wel terrein aan universiteiten. Nadat Nearing het spel aan zijn studenten had uitgelegd, verspreidde het zich naar universiteiten in noordoostelijke staten. Weinig mensen die het speelden wisten waar het vandaan kwam, wie het bedacht had en waarom, maar ze speelden het, vonden het leuk, maakten kopieën, scherpten de regels aan en introduceerden nieuwe.

In een tijdperk van massaproductie was dit eigenaardig, alsof je eeuwen terug in de tijd werd geworpen naar jaren waarin spellen als schaak en backgammon zich verspreidden via mond-op-mondreclame, en handgemaakte spelborden langzaam evolueerden door de input van ontelbare, naamloze individuen.

Mensen maakten kopieën van The Landlord’s Game voor hun vrienden op vellen tafelzeil die ze voorzichtig kleurden met verf of vetkrijt.

Mensen typten of schreven Kans-kaarten en eigendomsaktes op ongelinieerde indexkaarten, en gebruikten oorbellen, munten en andere willekeurige huis-tuin-en-keukendingen als pionnen. Voor huizen tekenden ze kleine huisjes op kaartjes en knipten die uit, of ze gebruikten kleine stukjes geverfd hout.

Terwijl mensen hun eigen spellen vervaardigden, verbeterden ze ook het spel en de regels. De plekken op het bord werden vaak vernoemd naar plekken in de buurt van waar de maker van een editie woonde. Die plaatsen werden ingedeeld in clusters, zodat spelers die alle kaarten van een bepaald gebied hadden dubbele huur konden vragen. De vakjes voor het kopen van benodigdheden werden geschrapt, net als de limiet op het aantal rondes dat je om het bord kon lopen voor het spel klaar was. Met een knikje naar de opkomst van de auto, werd het openbare park veranderd in “vrij parkeren”. De één-belasting-versie van het spel werd vergeten, en Moeder Aarde werd omgedoopt tot Start.

In 1927 kwam het aangepaste spel in handen van Daniel Layman, student aan Williams College in Williamstown in de staat Massachusetts. Layman toonde het spel aan zijn vrienden Ferdinand en Louis Thun. Na het spel een tijdje gespeeld te hebben kwamen de broers Thun met de Algemeen Fonds-kaarten op de proppen. De Kans-kaarten hielpen spelers verder te komen over het bord, en de Algemeen Fonds-kaarten leverden geld op.

De broers kwamen op dat idee dankzij echte ‘algemene fondsen’, door vrijwilligers gerunde groepen die collecteerden en het geld verdeelden over goede doelen. Het eerste gemeenschapsfonds werd gesticht in Cleveland in Ohio in 1913, en het fenomeen verspreidde zich snel over de VS. In 1927 waren er meer dan driehonderd gemeenschapsfondsen, en samen herverdeelden zij elk jaar meer dan zestig miljoen dollar. Bedrijven die geld aan goede doelen gaven waren blij met de fondsen, want die bespaarden hen de moeite om uit te zoeken aan wie ze geld zouden geven.

Na zijn afstuderen in 1929 keerde Layman terug naar zijn huis in Indianapolis en speelde het met zijn vrienden daar. Aangemoedigd door positieve reacties overtuigde hij een plaatselijke batterijenfabriek om zijn spel uit te geven, en in 1932 kwam het in de winkels te liggen onder de naam Finance.

Het verschil tussen Finance en Monopoly zoals we dat nu kennen was vooral cosmetisch. Er waren geen hotels, maar spelers konden maximaal vijf huizen bouwen op hun land. In plaats van het vakje “op bezoek” bij de gevangenis, moest je daar twintig dollar belasting aftikken. “Go” was “Start” genoemd. Behalve dat, en wat optionele extra spelregels, was Finance gewoon Monopoly, maar dan zonder het karakteristieke uiterlijk.

De politieke dimensie van The Landlord’s Game was ook afwezig. De regels van Finance omschreven het als een spel dat “de transacties van de moderne zakenwereld nabootst” en dat “elke speler gelijke kansen geeft om zijn fortuin te maken.”

Maar zelfs zonder het politieke aspect waren winkels niet overtuigd door Finance. Net als de Parker Brothers twintig jaar eerder tegen Magie zeiden, vonden winkeliers het spel te moeilijk, en weigerden het in te kopen. Uiteindelijk verkocht Layman de rechten op het spel aan een bedrijf uit Indianapolis, genaamd Knapp Electric. Ook die kregen het niet aan de man.

Laymans versie vond wel een fan in Ruth Hoskins. Voor de publicatie van Finance speelde Hoskins al eens een handgemaakte versie van het spel, op bezoek bij familie in Indianapolis. Het spel werd in die tijd nog gewoon Monopoly genoemd. Ze vond het fantastisch en nam een kopie mee naar Atlantic City, waar ze les gaf aan een vrijzinnig-christelijke school. Hoskins en haar leerlingen maakten een nieuwe versie, met plekken uit hun resort-achtige omgeving. Het vijfde huis veranderden ze in een hotel. Laymans potpourri van echte en verzonnen straten werd een tour van Atlantic City, vanaf de versleten Baltic Avenue, waar de Afro-Amerikaanse dienstmeid van een van haar leerlingen leefde, tot de beroemde Boardwalk via Marven Gardens, een nieuwbouwgebied enkele kilometers naar het zuiden.

De stations kwamen overeen met die in de stad, zoals Shore Fast Line, die de promenades van Atlantic City verbond met die van Ocean City. Deze Monopoly-versie uit Atlantic City verspreidde zich naar Philadelphia, waar het terechtkwam bij Charles Todd en zijn vrouw Olive, die in de Duitse wijk van de stad woonden. Ook Todd vond het spel geinig en maakte zijn eigen versie. Die was hetzelfde als die uit Atlantic City, behalve dat hij de Shore Fast Line de Short Line noemde, en Marven Gardens schreef als Marvin Gardens.

Kort nadat hij zijn eigen versie had gemaakt ontmoette Todd toevallig Esther Jones, een jeugdvriend die hij in tijden niet had gezien. Deze toevallige ontmoeting veranderde het lot van het spel enorm.

Toen Todd ontdekte dat Jones dichtbij hem woonde en getrouwd was met een man genaamd Charles Darrow, nodigde hij hen uit om te komen eten. Het etentje was een succes. Darrow, een gespierde veertiger met een metalen montuur, leek een aardige gozer, erg direct maar ook innemend.

Ze spraken die avond over de economische toestand van de stad. De Grote Depressie had Philadelphia verwoest. Mensen moesten bedelen en in vuilnisbakken grabbelen naar etensresten om te overleven. De stad stond vol opvangkampen voor daklozen. Zo’n driehonderdduizend mensen zaten zonder werk en Darrow ook. Nadat hij zijn baan als verwarmingsmonteur had verloren, had hij van alles gedaan om geld te verdienen: honden uitlaten, strijkijzers repareren, legpuzzels maken en verkopen. Maar al deze baantjes leverden hem weinig op. Zijn gezin leefde op het geld dat zijn vrouw verdiende met handwerk.

Tot overmaat van ramp had Dickie, de jongste van hun twee zoons, herenschade overgehouden aan roodvonk. In het Amerika van de jaren dertig was weinig steun om het gezin te helpen met de zorg voor hun gehandicapte zoon. De instellingen voor kinderen als Dicky waren akelige plekken waar mensen werden vastgeketend aan hun bedden, geslagen, ondervoed en onderworpen aan medische experimenten. De Darrows wilden hun zoon daar niet naartoe sturen en worstelden verder.

Op het eind van de avond zeiden Todd en zijn vrouw dat de Darrows nog maar eens moesten langskomen om samen Monopoly te spelen. Daar hadden ze nog nooit van gehoord, maar ze gingen akkoord: volgende keer zouden ze het spelen.

Toen de twee echtparen elkaar opnieuw ontmoetten speelden ze Monopoly met het handgemaakte spel van Todd. Een paar dagen later vroeg Darrow of Todd voor hem ook zo’n spel kon maken, en of hij de spelregels voor hem op kon schrijven.

Todd maakte een spel voor Darrow en gaf hem ook de spelregels. Daarna spraken ze elkaar nooit meer. Todd was nogal van streek door het verbreken van het contact, en niet veel later zag hij ineens een poster hangen waarop stond dat Darrow het spel ging demonstreren bij de plaatselijke bank. Todd was furieus. Darrow had het spel van hem gekregen en nu ging hij het verkopen. Hoe kon hij hem zo verraden?

Darrow vroeg hij zijn vriend Franklin Alexander, een striptekenaar, om het nogal saaie speelbord dat hij van Todd had gekregen wat levendiger te maken. Alexander was blij dat hij zijn ouwe vismaatje kon helpen, en voegde gekleurde balken toe bij de vakjes die ‘grond’ symboliseren, en maakte wat illustraties, die Darrow aan het bord toevoegde. Het nieuwe design maakte het spel een stuk aantrekkelijker. Darrow voegde de woorden “Copyright 1933 Chas B. Darrow” aan het bord toe, maakte meerdere exemplaren en verkocht die. Verder veranderde niets. Zelfs Todds spelfout in Marven Gardens bleef intact.

Darrows eerste exemplaren waren gemaakt met zo weinig budget dat er niet eens pionnen bijzaten. In de spelregels stond de suggestie dat mensen hun eigen pionnen maakten van muntjes of ander klein spul.

Schrijver Tristan Donovan. Foto door Katie Vandyck, met dank aan St. Martin’s Press

Na iets van honderd handgemaakte exemplaren verkocht te hebben, investeerde Darrow het verdiende geld in vijfhonderd professioneel gefabriceerde sets. Daarna overtuigde hij het warenhuis Wanamaker’s in het centrum van Philadelphia om het spel te verkopen. Met Monopoly nu in de schappen van het populairste warenhuis van de stad werd het makkelijker om andere winkels te overtuigen het spel in te kopen. Niet veel later ging ook de speelgoedwinkel F.A.O. Schwarz overstag. Darrow stuurde ook een exemplaar naar ’s lands grootste spellenmakers, Parker Brothers en Milton Bradley, in de hoop dat zij het spel van hem zouden overkopen. Beide bedrijven weigerden. Parker Brothers vond het nog steeds te ingewikkeld. Het duurde veel te lang om te spelen, zeiden ze, en begrippen als ‘hypotheek’ zouden voor veel mensen onbegrijpelijk zijn.

Toch ging Darrow door. Niet dat hij veel keus had. Hij moest geld verdienen, en Monopoly was zijn enige kans in jaren op een inkomen.

In oktober 1934 hadden Wanamaker’s en F.A.O. Schwarz all exemplaren van het spel uitverkocht. Ze bestelden meer exemplaren. Ook andere verkopers bestelden meer, dus liet Darrow 7500 nieuwe exemplaren maken. Toen de Parker Brothers hoorden wat voor succes Monopoly was, deden ze toch een bod om het van Darrow over te kopen.

Op 18 maart 1935 arriveerde Darrow bij het hoofdkantoor van Parker Brothers in het Flatiron Building in New York om een deal te sluiten met president Robert Barton. Darrow zou zeven duizend dollar per jaar krijgen in ruil voor het spel. Terwijl het contract werd opgesteld vroeg Barton aan Darrow of hij de enige uitvinder was van het spel. “Ja,” zei Darrow.

Parker Brothers ging meteen aan de slag om het enige defect van het spel te fixen: het gebrek aan pionnen. Ze vroegen Dowst Manufacturing, een speelgoedmaker uit Chicago, om gietijzeren pionnen te fabriceren. Binnen no-time zat in elke Monopoly-doos een klein slagschip, een strijkijzertje, een schoen, een hoge hoed en een vingerhoed. In het jaar erop kwam Parker Brothers met meer verbeteringen: het geld werd opnieuw vormgegeven, de Kans- en Algemeen Fonds-kaarten werden voorzien van illustraties, en er werd een mascotte in het leven geroepen: de stereotypische bankier, een soort knuffelbare J.P. Morgan die vandaag bekend staat als Mr. Monopoly.

Na het overnemen van de productie werd Parker Brothers overladen met bestellingen. De populariteit van het spel groeide razendsnel. Monopoly was enorm gewild, al wist niemand precies waarom. Was het de kick die je krijgt als je veel geld hebt, terwijl je ziet dat anderen niets hebben? Of was het dat je onroerend goed kon kopen en bezitten in een tijd waarin de meeste Amerikanen huurhuizen hadden? Misschien gaf de moordlustige aard van het spel mensen catharsis. In Monopoly konden ze hun vrienden en familieleden failliet laten gaan, zonder over de consequenties na te hoeven denken, want het was maar een spelletje.

Of kwam het omdat Monopoly het eerste spel was voor volwassenen? “Vandaag zien we Monopoly als familiespel, maar vroeger werd het door volwassenen gespeeld,” zegt Philip E. Orbanes, oud vice-president en binnen Parker Brothers een Monopoly-deskundige. “Nu denken we dat het spel vooral om geluk draait, maar in die tijd was het revolutionair. En als gevolg van het succes van Monopoly durfden Parker Brothers, Milton Bradley en al hun concurrenten meer spellen voor volwassenen te ontwikkelen.”

De verkoopcijfers groeiden, en Parker Brothers besloot het spel te patenteren. Op dat moment stuitten de bedrijfsjuristen op een probleem. Het spel was niet door Darrow uitgevonden. In voorbereiding op de patentaanvraag vonden de advocaten het patent van Magie op The Landlord’s Game en Laymans patent op Finance. Ook vonden ze een andere versie genaamd Inflation, die verkocht werd in Texas. Parker Brothers kocht het patent op Finance voor tienduizend dollar, en kocht ook de rechten op Inflation. En, het belangrijkste: ze kochten de rechten op The Landlord’s Game van Magie.

In Monopoly konden ze hun vrienden en familieleden failliet laten gaan, zonder over de consequenties na te denken, want het was maar een spelletje.

Op dat moment woonde Magie in Arlington in Virginia. Deze deal was zo belangrijk voor de toekomst van Monopoly dat George Parker, de 69-jarige oprichter van Parker Brothers, haar persoonlijk opzocht. Magie was dolblij hem te zien. Eindelijk wilde iemand haar spel kopen. Ze ging akkoord met een bedrag van vijfhonderd dollar, en de afspraak dat The Landlord’s Game ook uitgebracht zou worden.

De deal met Darrow werd opnieuw onderhandeld. Zijn inkomsten werden drastisch verlaagd. Naar de buitenwereld toe veranderde er echter niets. Parker Brothers hield de mythe in stand dat Darrow het spel had uitgevonden. Zijn levensverhaal – van arm naar rijk op eigen kracht – was mediageniek, en het publiek kon zich er beter in vinden dan in het verhaal van een excentrieke vrouw die zich liet inspireren door een allang vergeten econoom.

Zelfs met een lager inkomen werd Darrow miljonair. Tegen het eind van 1935 waren er meer dan 250 duizend exemplaren van het spel verkocht. Een paar maanden later ging Darrow met pensioen en verhuisde met zijn gezin naar een boerderij in Bucks County in Pennsylvania. De rest van zijn leven reisde hij over de wereld, kweekte hij orchideeën, en cultiveerde rozenstruiken om fazanten te beschermen tegen jagers. Zijn zoon Dicky bleef gehandicapt, maar zijn ouders konden hem nu wel de allerbeste zorg geven.

Er volgde meer succes. “Op 2 januari 1936 kwam er zo’n overweldigende bestelling binnen bij Parker Brothers dat de bescheiden fabriek 24 uur per dag draaide,” schrijft Barton in een brief uit 1957. “We stopten met de productie van bijna elk ander spel dat we maakten.” Parker Brothers maakte al snel twintigduizend exemplaren per week, en zelfs dat was niet genoeg.

Magie geloofde er heilig in dat mensen die The Landlord’s Game speelden de onrechtvaardigheid van het systeem van grondbezit zouden inzien.

Dat jaar maakte Parker Brothers zo’n 1.750.000 Monopoly-sets in de VS. Tot de Tweede Wereldoorlog verkocht het bedrijf honderdduizenden exemplaren per jaar.

In 1939 werd ook The Landlord’s Game eindelijk in productie genomen. Magie was enthousiast. Ze vond het nieuwe design van Parker Brothers mooi en hoopte dat de het spel en zijn boodschap een publiek zouden vinden.

Gezien haar hoop zullen de verkoopcijfers van het spel haar hart hebben gebroken. De verkoop verliep dramatisch. Winkels die Monopoly verkochten dreigden daarmee te stoppen als Parker Brothers het spel The Landlord’s Game niet terugnam. De meeste van de tienduizend spellen die gemaakt waren werden vernietigd en Magie’s droom viel in duigen. The Landlord’s Game was dood. Haar poging om het evangelie van Henry George te verspreiden was mislukt. Alleen Monopoly bleef, de Frankenstein die zij onbedoeld tot leven had gewekt.

De boodschap van The Landlord’s Game zit nog steeds in Monopoly. Elk spel eindigt met een steenrijke monopolistische grootgrondbezitter, die de anderen heeft kapotgemaakt om te winnen. Maar bijna niemand ziet daarin een afspiegeling van een onrechtvaardige economie, zoals Magie hoopte.

In plaats daarvan willen Monopoly-spelers niets liever dan zelf die steenrijke landeigenaar worden. Want ja, wie wil er failliet gaan? Het is beter om degene te zijn die anderen failliet maakt. Als winnen betekent dat je anderen moet laten leegbloeden, dan zij dat zo. Als Monopoly je doet denken aan een viering van het nietsontziende kapitalisme, dan komt dat omdat mensen nou eenmaal willen dat het dat is.

Dit verhaal komt uit het nieuwe boek It’s All A Game van Tristan Donovan, dat op 30 mei 2017 verschijnt bij uitgeverij Thomas Dunne Books in New York. Het is een geschiedenisboek over de populairste bordspellen uit de geschiedenis.

Logo

Logo